Taalfouten die bijna iedereen maakt, deel 2

Welkom bij PAsearch - bureau voor werken in management support.
Neem een kijkje op onze website!
In een eerdere blog heb ik geschreven over betekenisverschillen als je wel of geen spatie gebruikt. In deze tweede blog over de Nederlandse taal wil ik het hebben over verwijswoorden. Hier struikelen we nog wel eens over zowel in spreek- als in schrijftaal. In onderstaande voorbeelden leg ik uit hoe je betrekkelijke voornaamwoorden juist gebruikt. Vooral het verwijzen naar het-woorden gaat nogal eens fout. Dat of wat? Wanneer gebruik je ‘dat’? Je gebruikt ‘dat’ om terug te verwijzen naar een het-woord: Het meisje dat daar loopt, is mijn nichtje. (En dus niet: *het meisje die daar loopt) Hij kocht het grootste boeket dat hij kon krijgen.   Wanneer gebruik je ‘wat’? Alleen in deze drie gevallen: na ‘dat’, ‘datgene’, ‘iets’, ‘niets’, ‘enige’ en ‘alles’ (onbepaalde woorden) Ik weet iets wat ik niet mag zeggen. Dat is het enige wat ik vandaag heb gedaan. om terug te verwijzen naar een hele zin Het regent vandaag, wat ik erg jammer vind. Het bestuur verwierp het voorstel, wat tot grote teleurstelling leidde. na een overtreffende trap waar geen zelfstandig naamwoord achter staat. Dat is het laatste wat ik zeg. Dat is het beste wat hij kon krijgen.   Ik lees en ho...